Locked down – Depressie VII

In haar woorden lees ik de pijn. 20 minuten per week mag ze haar moeder opzoeken. Meer is voor de medewerkers van het rusthuis logistiek niet haalbaar en die 20 minuten per week zijn al oneindig meer als hetgeen kon in de weken hiervoor. Mijn ogen prikken. Ze prikken bij de pijn van mijn collega. Ze prikken bij het verhaal van haar moeder die geliefden verloor, maar die nu geen normaal rouwproces starten kan. Mijn ogen prikken. En ik weet: zoals dit verhaal, zo zijn er nu velen.

Ik sluit me af voor de koude werkelijkheid en ik probeer me terug te trekken. Ik probeer. In huis, in mijn cocon van afvlakking en apathie, is het stil. Liefst nog schijnt er niet al te veel zonlicht. Liefst nog sluipt er niet al te veel werkelijkheid het huis binnen.

Gaan winkelen is een strijd geworden, een confrontatie. Plots duiken er overal gemaskerde mensen op. Mensen met verhalen. Mensen met zorgen. Mensen met pijn. Ik mag er niet aan denken dat… Niet denken, nu. Niet denken.

Maar daar sluipen nu ook andere gedachten naar binnen. Niet de pijn van de mensen, maar de mensen zelf baren me plots zorgen. Het zijn mensen met ziektekiemen. Kiemen die ze verspreiden over iedere aardappel, elk pak thee. Elke diepvriespizza zit er onder en ook thuis in de brievenbus is er geen rust. Ik was mijn handen. Ik raak de klink aan. Ik was mijn handen. Ik neem wat uit de frigo. Ik was mijn handen. Ik gooi wat in de vuilnisbak. Ik was mijn handen. Maar tegen de vlekken in mijn hoofd is geen zeep gewassen.

Ik bijt tranen weg. Ik duw mijn voelen naar beneden. Diep vanbinnen voel ik woede en pijn roepen met verdofte stem. Een kleine ergernis wordt plots een hele wereld. Het is het enige beetje realiteit dat doordringt en ik houd het stevig vast.

In mijn eigen ivoren toren, zelfs in mijn eigen ivoren toren, is er geen rust. De ochtend wordt middag wordt avond wordt nacht. Maar er is geen rust. Er is enkel dofheid die enige verlichting brengt. Apathie die me helpt vluchten van angst en woede en rusteloosheid en… En ik verdwaal.

In haar woorden lees ik de pijn. Mijn ogen prikken. Geen traan loopt over mijn wangen. Snel klik ik weg. Ik zoek afleiding, maar echt vinden… Die écht vinden doe ik nooit. Ik sluit me af. Tegen deze vlekken is geen zeep gewassen. Ik duw tegen mijn voelen en ik houd het stevig vast. Er is geen rust. In haar woorden lees ik de pijn. Mijn ogen prikken.