Mijn zwarte hond is terug (Depressie VI)

Het is soms moeilijk om wat we voelen een plaats te geven. Ik denk niet dat ik daarmee iets wereldsschokkend schrijf. Het is wel behoorlijk meta. Want ik ben nog maar aan mijn vierde zin aan het tikken op mijn klavier, en ik stel al heel wat bewijs ten toon dat die eerste stelling onderbouwen kan. Ik draai rond de pot want het is moeilijk spreken over wat geen plaats heeft. Ik draai rond de pot want het is moeilijk dingen een plaats te geven. Ik draai rond de pot want het is soms moeilijk onze vinger te leggen op gevoelens die we liever diep weg zouden steken, eerder dan ze vast te pakken en van naderbij te onderzoeken.

Mijn zwarte hond is terug.

Ik merk het aan vele kleine dingen in mijn dagdagelijkse leven. Aan de episodes van dofheid in mijn hart. Aan de watjes in mijn hoofd. Aan de kleine pijntjes en de glanzend gladde oppervlakkigheden. Aan de dingen die me langzaam uit de handen glippen.

Een verlies aan controle is eng, zeker nu ik het weer ervaar nadat ik zolang weer grip kende. Mij rest enkel de troost dat ik dit keer erg vroeg voor mezelf kan duiden waar ik door lijk te gaan. Geen vragen, (nog) geen tranen, geen schaamte of schande. Maar het verlies aan controle, dat blijft. En het blijf eng.

Depressieve klachten.

Het is het doosje dat ik ooit gegeven heb aan wat ik voelde. Ik heb het opgevuld en daarna netjes opgeborgen. Zichtbaar, maar net niet helemaal ‘proud on display’. Een beetje weggemoffelde wetenschap. Tot het uit de kast gedonderd kwam, het openviel en de inhoud me weer met volle kracht in het aangezicht geslingerd werd.

Ik heb de doos wel nog. En ik heb een vaag vermoeden van wat waar stak, hoe ik alles weer mooi kan laten passen. Maar die dekselse hond… Die dekselse hond lag op de loer en is met grote stukken inhoud aan de haal. Hij wilt met me spelen. En ik… Ik zit daar maar.

Mijn zwarte hond is terug.

Praten, luchten, woorden geven aan. Op papier zetten, zwart op wit. Niet blauw-blauw laten. Gedachten vorm geven en ze voelen.

Hier en nu leven. Niet verbaasd stilstaan maar het bekende uit het verleden met een beleefd knikje begroeten en er samen weer de weg mee op gaan.

‘Sterk zijn,’ wil ik mezelf vertellen. Maar die gedachte maakt me gelijk ook kwaad. ‘Durven loslaten. Durven voelen. Durven eens niet sterk te zijn. Durven zijn.’

Langzaam uit een wolk van gedachten neerkomen. Weer rust. Tijd gunnen. Loslaten. Rusten. Morgen wel weer verder zien.

Een kus op het papier. Van mezelf. Voor mezelf.